|
Toepassingsgebied Deze zogenaamde ATEX richtlijn is van toepassing op alle apparaten en beveiligingssystemen die bedoeld zijn voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. Ook vallen onder de richtlijn veiligheids-, controle- en regelvoorzieningen die bedoeld zijn voor gebruik buiten plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen, maar die nodig zijn voor of bijdragen tot de veilige werking van apparaten en beveiligingssystemen met betrekking tot het ontploffingsgevaar.
Definities bij deze richtlijn apparaten:
machines, materieel, vaste of mobiele inrichtingen, bedieningsorganen en instrumenten, alsmede detectie- en preventiesystemen, die, alleen of in combinatie, bestemd zijn voor productie, transport, opslag, meting, regeling, energieomzetting of grondstoffenverwerking en die door hun inherente potentiële bronnen van ontvlamming een explosie kunnen veroorzaken. beveiligingssystemen:inrichtingen, niet zijnde componenten zoals omschreven bij apparaten, die de functie hebben beginnende explosies onmiddellijk te stoppen en/of de door een explosie getroffen zone te beperken en die afzonderlijk in de handel worden gebracht als systemen met autonome functies.
componenten: onderdelen die essentieel zijn voor de veilige werking van de apparaten en beveiligingssystemen maar geen autonome functie hebben.
explosieve omgeving: mengsel van lucht en ontvlambare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontvlamming uitbreidt tot het gehele niet verbrande mengsel.
plaats waar ontploffingsgevaar kan heersen: plaats waar ten gevolge van plaatselijke en bedrijfsomstandigheden een explosieve omgeving kan heersen.
apparaatgroepen en -categorieën:
groep 1: apparaten die bedoeld zijn voor ondergrondse werkzaamheden in mijnen en voor de delen van bovengrondse installaties daarvan waar ten gevolge van mijngas en/of brandbaar stof gevaar kan heersen groep 2: apparaten die bedoeld zijn voor gebruik op andere plaatsen waar ten gevolge van de explosie omgeving gevaar kan heersen. De apparaatcategorieën die de vereiste beschermingsniveaus bepalen zijn in bijlage 1 van de richtlijn beschreven. De apparaten en beveiligingssystemen kunnen zijn ontworpen voor een bijzondere explosieve omgeving. In dat geval worden zij van de desbetreffende merktekens voorzien.
bedoeld gebruik: gebruik van apparaten, beveiligingssystemen en voorzieningen (beschreven in art.1 lid 2 van de richtlijn) overeenkomstig de apparatengroep en -categorie alsmede overeenkomstig alle door de constructeur verstrekte aanwijzingen die noodzakelijk zijn om de veilige werking van de apparaten te waarborgen.
Uitzonderingen
- medische hulpmiddelen, zie betreffende richtlijn - apparaten en beveiligingssystemen wanneer het explosiegevaar uitsluitend te wijten is aan de aanwezigheid van explosieve stoffen of onstabiele chemische stoffen - apparaten bedoeld voor gebruik in een huiselijke, niet commerciële sfeer, waar een eventuele explosieve omgeving slechts zelden, en alleen als gevolg van accidentele gaslekken ontstaat, - persoonlijke beschermingsmiddelen, zie betreffende richtlijn - voor overige uitzonderingen zie richtlijn Normen Apparaten en beveiligingssystemen die voldoen aan van toepassing zijnde geharmoniseerde normen worden geacht te voldoen aan de richtlijn.
CE-markering Nodig voor het in de handel brengen: - toetsing aan de richtlijnen en normen - beoordeling door erkende instantie - technisch dossier - gebruiksaanwijzing
Ingangsdatum en overgangstermijn
De richtlijn wordt vanaf 1 maart 1996 toegepast. Er is een overgangstermijn tot 30 juni 2003. Tot die tijd is het toegestaan om apparaten en beveiligingssystemen in de handel te brengen, die voldoen aan de nationale voorschriften die van kracht zijn.
Specialisatie NVCE-leden - Avier > - D & F > - De Gier Stam > - Fucason > - G-Tec > - Kader > - Reducor > - Stevens Engineering > - TCPM > - Tebodin >
|